|
FCI-Standaard nummer 311
Ras SAARLOOSWOLFHOND (afkorting swh)
Land van Oorsprong Nederland
Datum van publicatie 22 januari 1999
Gebruik geen
FCI-indeling Groep 1 - herdershonden (zonder werkproef)
BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN HET RAS 
Leendert Saarloos (1884-1969) hield van de natuur en van honden. Hij vond honden echter te huiselijk geworden. Als liefhebber van de Duitse herder wilde hij in dit ras natuurlijke eigenschappen terugfokken, zodat er een betere werk- hond zou ontstaan. De Duitse herder reu van het klassieke Pruisische type Gerard van de Fransenum kruiste hij met Fleur, een wolvin afkomstig uit de Siberische tak van de Europese types (1932). Terugparingen op de vader verschaften hem een basispopulatie kwartwolven. Er volgde een periode in de experimentele sfeer. Strenge selectie deed een nieuw ras ontstaan: de 'Europeesche wolfhond', waaraan geschiktheid als blindengeleider werd toegedicht, toen uitgelezen honden van dit ras hun diensten als zodanig verleenden. Stamvader Gerard deed toen nog zijn invloed gelden, maar een vergrote inbreng van de wolf maakte dit ras steeds minder geschikt als werkhond, dus ook als geleidehond.
De erfenis van Leendert Saarloos was geen werkhond, maar een hond met een vleugje natuur dat zijn erkenning kreeg in 1975 als ras. Toen ook werd de naam gegeven: SAARLOOSWOLFHOND als eerbetoon aan zijn stichter.
Sedertdien behartigt de Nederlandse Vereniging van Saarlooswolfhonden de belangen van het ras onder andere door de onderhevige standaard.(1)
ALGEMENE VERSCHIJNING 
De SWH is een krachtig gebouwde hond. Zijn uiterlijk, lichaamsbouw, gangwerk en beharing doen denken aan die van de wolf. Hij is harmonieus gebouwd en heeft lange benen - zonder de indruk te wekken van hoogbenigheid. Reuen en teven moeten in allure duidelijk hun sekse doen blijken.
KARAKTER
Hij is een zeer levendige hond overstromend van energie, die een trots en onafhankelijk karakter heeft. Hij gehoorzaamt uit eigen vrije wil en is niet slaafs. Hij is zeer aanhankelijk aan zijn baas en hoogst betrouwbaar. Tegenover vreemden stelt hij zich gereserveerd, enigszins wantrouwend, op. Deze gereserveerdheid en zijn vluchtdrift voor in hem onbekende situaties zijn kenmerkend voor de SWH en dienen behouden te blijven als rastypische eigenschappen. De benadering van de SWH door vreemden vraagt enige kennis en inzicht in het gedrag van deze hond, dat gereserveerdheid en vluchtdrift als eigenschappen in zich draagt. Een geforceerde, door de SWH niet gewenste benadering door een vreemde, kan er toe leiden, dat de vluchtdrift gaat overheersen. En een belemmering van deze eigenschap door bij voorbeeld de beperkte bewegingsvrijheid van de aangelijnde hond kan aanleiding zijn voor een angstig lijkend gedrag.
GEBRUIK (2) 
De SWH is niet gefokt voor een specifiek gebruik maar heeft de eigenschappen in zich om een trouwe en betrouwbare gezelschapshond of huishond te worden.
HOOFD
Het hoofd moet een wolfachtige indruk maken en van grootte in harmonie zijn met het lichaam. Van boven en van opzij gezien moet het hoofd wigvormig zijn.
De schedel toont vlak en breed, maar ten opzichte van de breedte moet gewaakt worden voor overdrijving, omdat dit de typische wigvorm verstoort. De achterhoofdsknobbel mag niet opvallen. De overgang van de krachtige snuit (neusrug) naar de schedel toont een lichte stop. De brug van de neus is recht en gaat over in een goed gepigmenteerde neusspiegel. De boven- en onderkaak zijn sterk en bevatten een wit, krachtig ontwikkeld en compleet gebit, dat scharend tot zeer krap scharend is. De lippen sluiten goed aan. De bovenkaak en de schedel verhouden zich in een lengte van een op een, waarbij de bovenkaak zich beslist niet grof mag tonen in vergelijking met de schedel: een te grove voorsnuit ontsiert de typisch wolfachtige wigvorm. De onderkaak mag niet opvallend zijn. Zeer kenmerkend is de belijning van de voorsnuit naar een goed ontwikkeld jukbeenboog. Samen met de juiste vorm en plaatsing van het oog in de schedel draagt deze sterk bij aan de wolfachtige verschijning. De oogkas mag niet uitgesproken zijn en de wenkbrauw dient in een vloeiende lijn over te gaan in de schedel.
OGEN
De ogen zijn bij voorkeur geel van kleur en amandelvormig. De ogen zijn enigszins schuin geplaatst, niet puilend of rond, gevat in goed aansluitende oogleden. De uitdrukking van de ogen is oplettend, wel gereserveerd, doch zonder angst. Het oog is een zeer rastypisch kenmerk, dat de gewenste wolfachtige verschijningsvorm benadrukt. De goede expressie wordt daarom alleen verkregen door de aanwezigheid van een licht oog. Er dient veel waarde te worden gehecht aan kleur, vorm en juiste plaatsing in de schedel. (3)
-De oogkleur is geel, maar bij het ouder wordende dier mag deze zich donkerder kleuren. Echter de oorspronkelijke aanleg voor geel dient herkenbaar te blijven.
-Een in aanleg bruine oogkleur is minder gewenst.
-De oogkas gaat in een vloeiende lijn in de schedel over: een te geprononceerde oogkas, geaccentueerd door de wenkbrauw samen met teveel stop, is ongewenst.
OREN 
De oren zijn middelgroot en vlezig. Het oor is driehoekig van vorm, heeft een afgeronde top en is van binnen behaard. De basis (ooraanzet) ligt op ooghoogte.
De oren zijn zeer beweeglijk en geven uitdrukking aan stemmingen en emoties van de hond. (4)
-Storend en ongewenst zijn te spitse en te hoog aangezette oren.
-Te wijd uitstaande oren ontsieren het hoofd en zijn typische verschijningsvorm zijn daarom minder gewenst.
HALS 
De hals toont droog en is goed bespierd. De hals gaat in een zeer vloeiende lijn over in de romp. De hals kan vooral in de wintervacht gesierd worden met een fraaie kraag. De lijn van keel naar borst heeft een vloeiend verloop.
De keelhuid is minimaal en niet opvallend. Het is kenmerkend voor de SWH dat hoofd en hals in ontspannen draf bijna horizontaal worden gedragen. (5)
ROMP 
De SWH is langer dan hoog. De rug is recht en sterk. De ribben zijn normaal gewelfd. De vloeiende borstbelijning reikt tot maximaal de elleboog. Borst
en ruimte tussen de voorbenen tonen matig breed in vooraanzicht. De buiklijn is stak met een licht opgetrokken lijn. Er moet gewaakt worden voor te veel massa van de borst, want dit verstoord de typische belijning, welke deze de statige draver kenmerkt. Het silhouet is eerder rank en zeer wolfachtig.
STAART
De staart is breed aangezet en welig behaard. De staart reikt minimaal tot aan de sprong. De staart lijkt wat lager aangezet, veelal geaccentueerd door een lichte dip bij de aanzet. De staart wordt (licht) sabelvormig tot bijna recht gedragen. In actie of draf mag de staart hoger gedragen worden.
VOORHAND (6) 
Het schouderblad is voldoende lang en breed ontwikkeld. Het ligt onder een hoek van ongeveer dertig graden ten opzichte van de verticale loodlijn, een normale, doch niet overdreven hoeking. De opperarm is in lengte evenredig aan die van het schouderblad en vormt met het schouderblad een normale, doch niet overdreven hoeking. De voorbenen zijn recht en goed bespierd. De botstructuur is ovaal van vorm en is niet grof: de benen tonen in verhouding tot het lichaam eerder een zekere rankheid. De ellebogen sluiten goed - niet geknepen - aan. Als gevolg van de ribwelving en van de juiste ligging van schouderbladopperarm toont de ruimte tussen de voorbenen zich als matig wijd. De voeten (type hazenvoet), goed bespierd, gekromd en voorzien van stevig ontwikkelde voetzolen, zorgen samen met de sterke pols en met de matig schuin geplaatste middenvoet voor een goede schokopvang. In stand is een licht buitenwaartse plaatsing toegestaan.
ACHTERHAND (6) 
De bekkenhelling is normaal. Deze lijkt door de lage staart aanzet - dikwijls geaccentueerd door een dip vaak meer hellend. De hoeking van de achterhand is in harmonie met dievan de voorhand. Het dijbeen heeft een normale lengte en breedte en is sterk bespierd. De knie- en hakhoekingen mogen niet overdreven zijn. De sprong is benig en bespierd en kan optimaal gestrekt worden.
De middenvoet is voldoende lang (niet kort), staat matig schuin en loopt over in een goed gekromde en ontwikkelde voet.
-In stand is een lichte koehakkigheid toegestaan.
-Het rastypische lichtvoetige gangwerk is zeer afhankelijk van de juiste knie- en hakhoekingen. Bij de geringste afwijkingen hieraan verdwijnt deze wijze van voortbewegen.
GANGWERK (7) 
De SWH is een typisch gestadige draver, die in zijn eigen tempo gemakkelijk grote afstanden kan overbruggen. Zijn natuurlijke gangen vermoeien hem nauwelijks en doen denken aan die van de wolf. De SWH onderscheidt zich ten zeerste door zijn zeer specifieke, lichtvoetige gangwerk.
Een juiste wijze van voortbewegen hangt zeer nauw samen met details in de lichaamsbouw: met name zijn de juiste hoekingen, die de verschillende ledematen met elkaar vormen, van grote invloed. Tijdens de vrije, ongedwongen draf draagt de SWH zijn hoofd en hals bijna horizontaal. In deze houding zijn dan oogplaatsing en de wigvorm van het hoofd zo kenmerkend! In draf is het typisch lichtvoetige voortbewegen stevig en veerkrachtig vooral op een natuurlijke ondergrond is de soepele, veerkrachtige polsbeweging kenmerkend. Bij het gestadige draven, de raseigen gang, is er geen overmatig uitgrijpen, daar dit evenals te veel stuwing het typisch lichtvoetige gangwerk, een voorbeeld van een energie besparende gang, verstoort.
VACHT 
De zomervacht is heel anders dan de wintervacht. In de winter overheerst veelal de wollen ondervacht, die samen met de stokharige bovenvacht en de deklaag, een rijke pels over het gehele lichaam vormt en daarbij rond de hals een duidelijke kraag kan tonen. Het is noodzakelijk, dat de buik en de binnenkant van de dijen en het scrotum met haar bedekt zijn. De haren van de totale onderkant van het lichaam, van de binnenzijde van de extremiteiten en aan de achterzijde van de broek zijn licht van kleur. Zowel de wolfsgrauwe als de bosbruine SWH tonen donkerder op de buitenkant van de extremiteiten. Ook dienen zij een expressief masker te dragen.
Bij de zomervacht is zowel de stokharige bovenvacht als ook de ondervacht aanwezig. De ondervacht is duidelijk minder in de zomer dan in de winter.
Temperatuurswisselingen in het najaar en in de winter kunnen van zeer grote invloed zijn op de wollen ondervacht. (8)
Wel dient in alle gevallen de wollen ondervacht in aanleg aanwezig te zijn.
KLEUREN 
De kleuren van de vacht zijn:
-van licht tot donker geschakeerd zwart-wildkleurig, het zo genaamde wolfsgrauw.
-Van licht tot donker geschakeerd bruin-Wildkleurig, het zo genaamde bosbruin.
-Van licht tot creme-wit tot wit.
Het pigment van neus, oogranden, lippen en teennagels behoort te zijn:
-zwart bij wolfsgrauwe en witte SWH
-leverkleurig bij de bosbruine en créme-witte SWH
HOOGTE 
De schofthoogte van de SWH varieert
bij de reuen van 65 tot 75 cm,
bij de teven van 60 tot 70 cm.
Geringe afwijkingen naar boven zijn toegestaan.
FOUTEN 
Hoofd
te ronde ogen,
puilende ogen,
een te uitgesproken oogkas, waarbij de wenkbrauw niet langs een vloeiende lijn overgaat in de schedel, wat veelal samengaat met te veel stop, en te ronde ogen
te hoog geplaatst en/of puntig oor,
te wijd uitstaande oren.
Lichaam
laagbenigheid,
te grove botstructuur van de benen,
te korte bouw.
Vacht
het ontbreken van voldoende expressie door haarkleuren is minder gewenst
zadeltekening door onvoldoende verdeeld zijn van de donkere haarkleuren.
Staart
krul in de staart,
boven de rug gedragen staart.
DISKWALIFICATIE FOUTEN
elke vorm van agressie is bij de SWH niet toegestaan, daar deze zich niet vrijelijk, doch gereserveerd dient op te stellen tegenover hem vreemde personen,
andere dan de toegestane vachtkleuren.
N.B. Bij de reu moeten de twee teelballen volledig in gedaald zijn.
TOELICHTING 
1)-----
In de loop van de jaren zijn er verschillende rasverenigingen en groeperingen ontstaan die uit liefde voor de saarlooswolfhond, het belang van het ras vooropstellen
2) -----
Gebruik: De SWH is een typisch roedel dier. Door en vanuit deze zeer sterk aanwezige eigenschap verlangt hij aan uw zijde te vertoeven. Deze eigenschap maakt hem volkomen ongeschikt als kennel hond: opgesloten zal hij onophoudelijk trachten zich te bevrijden, afzondering zal hem in vele gevallen doen asocialiseren.
De jonge SWH verlangt bij zijn opvoeding een eerlijke, consequente benadering. Wil men zijn trotse en onafhankelijke karakter enigszins vormen, dan is het raadzaam zijn gedrag en gehoorzaamheid te trainen.
Vele SWH's bleken in het verleden over goede eigenschappen te beschikken voor het werk als geleidehond voor blinden. Echter vanwege het steeds drukker wordende verkeer is reeds in het begin van de zeventiger jaren besloten te stoppen met het opleiden van SWH's voor dit werk - dit over te laten aan de school voor blindengeleidehonden, die daartoe zeer selectief fokt en africht.
Omdat er op de eigenschappen, belangrijk voor een blindengeleidehond, niet langer wordt gefokt, is de SWH geen gebruikshond meer, is hij geworden tot wat hij is: een ideale huishond, een grote kindervriend, zeer aanhankelijk en volkomen betrouwbaar.
Bewaking en africhting: De lettergreep wolf in zijn naam doet bij velen de mening post vatten, dat dit garant staat voor felheid.
Niets is minder waar: de SWH mist de aanvalsdrift, deze wordt dominant overheerst door zijn gereserveerdheid en de wolfseigen vluchtdrift. Deze maken hem absoluut ongeschikt voor bewaking en bepaalde soorten van africhting die een zekere mate van agressie vereisen.
De SWH zal zijn baas op zijn eigen, stille wijze zelden blaffend - onraad melden.
Zijn plaats in de roedelrangorde bepaalt, dat zijn baas als sterkste, als alfa, zal optreden.
3) -----
Aan te raden valt de expressie van het oog op afstand te beoordelen - bij een door de SWH ongewenste benadering kunnen namelijk door aanpassing aan emoties de pupillen zich tijdelijk verwijden, wat de expressie van het oog schaadt.
4) -----
Waar zomer- en wintervacht een visueel andere indruk wekken, vraagt de beoordeling van de grootte en de plaatsing van het oor enige aandacht.
5) -----
Bij een aangelijnde SWH wordt deze typische drafhouding tijdens het showen veelal verstoord.
6) -----
Waar het typische lichtvoetige gangwerk van de SWH zeer afhankelijk is van de juiste hoekingen in voor- en achterhand, mogen deze zich in stand niet overdreven tonen.
7) -----
Het exterieur en de daarmee nauw samenhangende, typische wijze van voortbewegen van de SWH is zeer afwijkend van die van aanverwante rassen: met name mag er in bouw en gangen geen enkele gelijkenis zijn met de Duitse herder.
Wie wil oordelen over de SWH en wie zich de kennis daartoe wil eigen maken, zal door bestudering van de in bouw gelijkende wolvensoorten, de wolven van het hoogbenige, Europese type, de specifieke kenmerken van de SWH beter leren begrijpen.
Zijn specifieke gangen zijn zo onverbrekelijk verbonden met een juiste lichaamsbouw, dat geringe afwijkingen in bij voorbeeld de juiste knie- of hakhoeking het lichtvoetige gangwerk reeds schaden. Het herkennen van die kenmerkende details vraagt inzet en studie; echter de verworven kennis, het verkregen inzicht zullen dan niet alleen het keuren veraangenamen, maar bovenal een verantwoorde fokkerij tot voordeel zijn.
8) -----
Onder invloed van het milieu kan de vacht zeer verschillend zijn in dikte van de pels, wat is toegestaan: bij voorbeeld een beperkte ondervacht beïnvloed door huiskamertemperatuur.
9) -----
Het crème-wit en wit zijn zelden voorkomende kleurslagen, waarop niet doelgericht gefokt wordt.
|